woensdag 26 oktober 2016

Ik ben bij je



De hele kamer was leeg, op hun twee na. Het bezoek, dat welkom was van twee tot vijf en van zeven tot negen, had zich niet laten zien en daar was Jane blij om. Ze was te vermoeid om mensen om zich heen te hebben, maar zijn bezoek kon ze altijd verdragen. Sterker nog, het maakte haar sterker en moediger.

Zijn aanwezigheid vulde de hele kamer. Zijn lichaam zat daar maar in de stoel naast haar bed, bladerde door een tijdschrift zonder het echt te lezen, keek af en toe op om te kijken of Jane er nog was, zonder een woord te zeggen. Zijn geest echter was overal, schreeuwde, vloekte, fluisterde, suste, was er altijd, zelfs als hij er niet was. Het hield haar wakker, hield haar scherp, liet haar beloven niet op te geven, te blijven, voor hem, want hij hield van haar, hield zoveel van haar. Niets gaf haar meer kracht dan dat besef.

Vanavond was ze vermoeider dan andere avonden. Haar verzwakte lichaam begon zijn tol te eisen, haar hoofd wilde rust, maar dat kon ze hem niet geven. Haar hoofd de rust gunnen die het verdiende, was toegeven én opgeven en daar was ze nog niet klaar voor, daar zou ze nooit klaar voor kunnen zijn. Weken geleden had ze al besloten dat ze nergens vanuit zou gaan, niets of niemand zou vertrouwen en zich nergens op voor zou bereiden. Alles of niets zou wel of niet als een verrassing komen. Ze zou en wilde gewoon leven: ademen, praten, tv-kijken, eten, slapen. Haar leven hing dan nog niet aan zijden draadjes, er liepen wel verscheidene plastic draadjes van haar lichaam naar apparaten. Die apparaten maakten veel herrie, maar dat was inmiddels al gereduceerd tot een zoemend achtergrondgeluid dat amper opviel.

Hij stelde haar gelukkig niet gerust met woorden als “rustig maar, het komt allemaal goed”. Veel eerder had ze hem al een duidelijk gemaakt dat hij haar daarmee niet geruststelde. Hij maakte haar rustig, als ze van frustratie alle draadjes uit haar lichaam wilde trekken en gewoon wilde wachten tot haar lichaam er uit zichzelf mee ophield, door slechts één gebaar, één beweging. Woorden deden er weinig toe, eigenlijk niet, dat besefte ze pas toen ze dag in, dag uit in bed lag. Vroeger was ze een drukke praatster geweest. Dat was vroeger. Nu besefte ze dat het alleen maar was om te maskeren, te vergeten. Nu deed haar lichaam er niet meer toe, haar gedachten, herinneringen en geest des te meer en om te voorkomen dat ze iets zou verliezen, vergeten of kwijt te raken, hield ze haar mond, zodat er ook niets uit kon ontsnappen.

Het zwijgen ging haar minder moeilijk af dan ze had gedacht. De enige die Jane hier wilde was hem en hij was de enige die het begreep. Praten deden ze allang niet meer met woorden. Met een enkele blik zeiden ze elkaar alles wat ze wilden zeggen. De stilte die hierdoor ontstond werd enkel verstoord door een enkele verpleegster, die er niets van snapte en klossend op haar Crocs overleggend met een arts haar kamer binnenkwam en dingen vroeg waar Jane geen antwoord op kon en wilde geven. Het was dat ze het eten nodig had, anders was ze daar ook allang mee gestopt. Alles had geen zin meer, ze wilde alleen nog maar denken, bij hem zijn. Ze wilde met haar hand langs zijn borstkas gaan, door zijn haar, ze wilde zijn hand in de hare voelen, hoe het haar vertrouwen gaf.

‘Geef me je hand,’ smeekte ze met een krakende, fluisterende stem. Ze rekende uit hoe lang het geleden was dat ze echt wat had gezegd (82 uur, 7 minuten en 40 seconden). Hij deed wat ze vroeg. Hun handen lagen in elkander en bleven zo een tijdje liggen. Ze voelde zijn verdriet, zijn liefde, zijn kracht in haar overvloeien en ze beloofde hem zwijgend dat ze niet zou opgeven.

Nooit.



[caption id="" align="alignnone" width="640"]jk bron: tumblr.com[/caption]

Bovenstaand stuk schreef ik naar aanleiding van bovenstaande foto die ik op Tumblr vond. Een simpele foto, maar als schrijver verzin/zoek je al snel overal meer achter. Het is interessant hoe ik als schrijver continu in gesprek ben met mezelf, over mijn omgeving, waar mensen heen gaan, waar ze vandaan komen, wat ze gaan doen en wat hun verhaal is. Ik ga altijd uit van het ongewone, want dat levert immers verhalen op. Het is voor mij zo gewoon om op deze manier te denken, dat ik me amper voor kan stellen dat er mensen zijn die niet de hele dag door aan het fantaseren zijn. Het is dat ik zoveel fantasie heb, dat ik me dat toch wel kan indenken (haha, oké, flauw...).

Ooit schreef ik ook een gedicht wat hier goed bij past. Ik maakte er ook foto's bij.

img_6841

Geef mij je hand


Ik laat niet los



Ik beloof je


Dat ik niet loslaat


Wees maar niet bang


img_6838

Ik laat je niet gaan


 

De belangrijkste persoon die je nooit moet laten gaan, ben je zelf!

Liefs, Manon

Geen opmerkingen:

Een reactie posten